Mogen we nu weer gewoon praktische auto’s?

Alles voor de lifestyle en de techno-overkill

Bouwkundige efficiency is bijzaak. Alles voor de lifestyle en de techno-overkill die innovatie heet. Nog meer veiligheidssystemen, multimediale gadgets die geen hond gebruikt, sfeerverlichting in paars, groen, rood en roze. In de zes jaar dat ik voor NRC over auto’s schrijf ben ik zelden een auto tegengekomen die doelmatigheid voorop stelde. De enkele keer dat ik ze rijd, zijn het verschoppelingen onderaan de prestigeladder. Een Suzuki Swift, wat Subaru’s, de Toyota Prius, een handvol simpele maar ruime Dacia’s. De Audi-man ziet ze niet staan. Geen premium.

Suv’s wel. Maar waarom dan? Ze zijn veel te zwaar, verbruiken veel te veel. Hun oorspronkelijke functie van terreinwagen is losgelaten; het gros gaat tegenwoordig van de hand zonder vierwielaandrijving. Ze kunnen niet wat ze beloven en stellen er geen ander nut voor in de plaats. Een andere aberratie is de lifestyle-station. Zalig de onschuldigen van geest die menen dat zo’n auto is bedoeld om spullen te verplaatsen. Dan vergeet je dat gezond verstand uit de mode is. Zo’n auto moet voor de sportieve uitstraling een aflopende daklijn en de vlakke achteruit die het volume drastisch afknijpen. Van de grote stationcars leent zich voor massatransport maar een handjevol: Skoda Superb, Mercedes E-klasse. De stationversie van de grote Peugeot 508 verstouwt minder dan de kleinere 308. Hoe verzin je het? >>>

Scroll to Top