Is ethiek inherent aan de mens?

Essay

De mens is van oorsprong noch geneigd tot het goede, noch tot het kwade. Autonome ethiek en inherent moraal zijn gebaseerd op waardeoordelen, die door de mens zelf ontwikkeld, geformuleerd en geformaliseerd zijn.

De fysieke wereld waaruit en waarin we zijn ontstaan bevat geen ethische elementen. Het ‘heelal’ – alles omvattend – is het domein van, mogelijk oneindig veel, universa met, per universum weer miljarden sterrenstelsels, met daarin weer miljarden sterren waaronder ‘onze’ ster, de zon. In één van die universa en in één van die miljarden stelsels, leven wij; in één van de armen van het -door ons zo genoemde en voor ons al niet voor te stellen grote- melkwegstelsel. Schattingen zijn dat 14 miljard jaren geleden uit een oerexplosie – oerknal is een onjuist woord; er was en is niets te horen in het luchtledige, denk ik – ‘onze’ tijd en ruimte zijn ontstaan; uit een exploderend zwart gat, waar tijd bijna oneindig traag was en ruimte miniem. Twee stoffen, -vooral- waterstof  en in mindere mate helium, waren in het begin overheersend aanwezig. Inmiddels weten we dat andere stoffen, door toevallige mutaties, successievelijk zijn ontstaan en sinds Einstein weten we dat stof en energie uitwisselbaar zijn. Door continue en toevallige mutaties is uiteindelijk de grote verscheidenheid, die we nu kennen, ontstaan; uit stoffelijke elementen in een schier oneindig lang proces, waarin toevallige mutaties de aanvang waren voor complexere biologische vormen.

De aarde daar weer in, is volgens schattingen zo’n 4,5 miljard jaren oud en het ontstaan van de mens beslaat daarin miljoenen jaren. Van een in het begin niet tot sluimerend gevoel van zich bewust zijn tot een bewust idee van zijn en een bewust idee van de omringende wereld; van het feit dat men als wezen bestaat. Binnen die ondenkbaar grote tijdsspanne beslaat onze geschreven geschiedenis een paar duizend jaar en de aanloop naar cruciale kennis over de fysica beslaat nog maar enkele honderden jaren. De mens, in kosmische termen piepjong, is dus na een hele lange tijd en veel toevallige mutaties uiteindelijk ontstaan uit sterrenstof, die het wezenlijke onderdeel vormt voor ons bewuste zijn; niet voor bewust zijn. Dat impliceert een plan en mogelijk een zin. Er was dus -hoogstwaarschijnlijk en toevallig- een enorme explosie, die uiteindelijk leidde tot wat we nu zijn: de mens die zich bewust is van z’n bestaan in een oneindig groot alles omvattend heelal. Er was geen  plan, er was geen -intelligent- ontwerp. Er was geen plan voor het ontstaan van biologische wezens die zich bewust zouden zijn van hun bestaan, laat staan dat er sprake was van ethiek.

Het feit dat we bestaan en ons daar ook bewust van zijn, daar een idee van en over hebben, houdt in dat we, naast die puur fysieke elementen ook niet-fysieke elementen in ons dragen waarop de natuurwetten geen vat hebben: ideeën zijn niet stoffelijk; ze nemen immers geen ruimte in.

We hebben dus ideeën die alleen kunnen ontstaan als gevolg van ons zijn en ons inmiddels complexe brein. Ideeën kunnen los staan van het individu: ideeën kunnen een eigen ‘leven’ gaan leiden. Er is een ideeën wereld, die los kan staan en staat van het individu. Maar weer niet van individuen; gedachten en ideeën moeten uiteindelijk ‘gedragen’ worden door stoffelijke -biologische- wezens. Die niet-fysieke wereld, die gebaseerd is op ideeën, manifesteert zich in de fysieke wereld op het moment dat we de ideeën omzetten in concrete daden. Die daden zullen in eerste instantie gericht zijn geweest op puur overleven en totaal vrij van waarden zijn  geweest. In oorsprong zal de drang tot overleven zo manifest zijn geweest dat ideeën alleen betrekking hadden op de zoektocht naar voedsel. Ethiek speelde geen rol, net zoals dieren doden om te (vr)eten doodde de mens om te overleven.

Het feit dat we op basis van ons fysieke bestaan, dat in beginsel geen ethiek kent, ideeën kunnen hebben impliceert dat de ideeën in beginsel -nog- vrij waren van waarden. Pas toen de bewuste mens empathie voelde ontstond de drang handelingen te beoordelen.

De mens is in beginsel, zoals alles in de natuur, ethisch neutraal. Net zo ‘natuurlijk’ als planten en dieren, die op zich ook geen goede of kwade elementen in zich dragen. Pas het feit dat we het denken over ons bestaan direct verbinden met ons bestaan, ons leven bezien in relatie tot onze omgeving, ontstaat de notie van moraal, het onderscheid tussen goed en kwaad. Het is waarschijnlijk een voorwaarde om te overleven, dat men zich in kan leven; empathisch vermogen heeft. Empathie is de basis voor begrip, voor samenwerking, maar evenzo voor tegenwerking. Dus ook voor oordelen over goede- en kwade handelingen. Pas op het moment dat we ons bewust zijn van ons bestaan en van ons handelen daarin en het feit dat we ons bewust zijn dat ons handelen consequenties kan hebben die ten voordele kunnen strekken, maar ook nadelig kunnen is de moraal en inherent de leer daarover ontstaan.

Het is een in eerste instantie praktische oplossing. De oorsprong van ethiek en moraal ligt in het feit dat we ons bewust werden van ons zijn. Bewust van het feit dat handelingen -ernstige- gevolgen kunnen hebben voor ons -voort-bestaan heeft ons er toe gebracht te kiezen voor en het handhaven van, ongeschreven en geschreven regels of normen. Normen die het onderscheid tussen goed en kwaad duidelijk -objectief- markeren en in de loop van de tijd tot -culturele- waarden hebben geleid.

Dat is de vrijheid die, en het grootste goed dat, we als mens hebben: ons vrijwillig onderwerpen aan normen, vormt uiteindelijk het meest wezenlijke deel van ons -mens-zijn. Dit is mogelijk ook de aanzet voor wezenlijke zingeving in een wereld die op zich geen zin in zich draagt; een zin die wij in ieder geval niet kunnen kennen. De mens zelf kan het leven zin geven door begrip van het unieke karakter van ons bestaan, om te zetten in het aanwenden van alle redelijke middelen om een aards ‘paradijs’ te creëren. Door te ‘geloven’ in een zinvol leven voor de dood. Dan worden wij uiteindelijk zelf ‘de goden’.

Het is overigens opmerkelijk dat religies, die kosmisch gezien nog maar net bestaan, claimen de bron te zijn van het ethisch besef; dat besef dat n.b. inherent is aan ‘de mens’.

WT

Scroll to Top