Het leven na je vijftigste: een korte eeuwigheid

Bruckners benadering van de ouderdom is feitelijk een zeer sociale. Het goede leven is voor hem een blijvende actieve interactie met het heden: lezen, nadenken, je ermee bemoeien. En niet teveel navelstaren graag. In het moderne cultuurpatroon ligt de nadruk meer op oorspronkelijkheid dan conventie – vandaar ook de maatschappelijke voorkeur voor het jeugdige, dan nog niet in vaste patronen vastzit.

Maar aan die norm van oorspronkelijkheid en authenticiteit is ook een nadeel verbonden: de zware nadruk die velen tegenwoordig leggen op hun eigen identiteit – al of niet bepaald door afkomst, huiskleur of sociaal milieu. Ten onrechte wordt daarbij het individu als een constante entiteit voorgesteld, meent Bruckner, terwijl het leven nu juist wordt gekenmerkt door permanente heroriëntatie en heroverweging van de dingen. Slechts op het moment van zijn sterven is de mens volledig alleen. Daarvoor, als het goed is, nauwelijks. De vraag ‘wie ben ik’ heeft voor de Franse filosoof alleen zin voor de jeugdige, die zich los moet maken van de knellende banden van ouderlijk milieu om een weg in het leven te vinden. Wie ouder is dan 30 kan zich beter richten op de vraag ‘wat kan ik?’ Link

Scroll to Top