Het goede doen?

Wat zet ons aan tot deugdzaam gedrag? Die vraag staat centraal in het net vertaalde standaardwerk ‘De theorie over morele gevoelens’ van de Schotse verlichtingsfilosoof Adam Smith.

Laten we ons voorstellen dat het grote Chinese rijk met al zijn talloze inwoners plotseling is verzwolgen door een aardbeving’, schrijft de achttiende-eeuwse filosoof in zijn onlangs opnieuw vertaalde meesterwerk ‘De theorie over morele gevoelens’. Hoe zouden wij daarop reageren? Dat hangt er een beetje van af, maar, zegt Smith, als we ‘van humaniteit vervulde Europeanen’ zijn en zelf geen Chinezen kennen, zullen we misschien een tijdje onze ‘bedroefdheid uiten over het ongeluk van dit geteisterde volk’ maar opmerkelijk genoeg richten we ons na korte tijd weer op onze eigen zaken, alsof er nooit een ramp had plaatsgevonden in China. Smith: ‘Het nietigste ongeval dat hemzelf overkomt, baart reëlere zorgen. Mocht hij weten dat hij morgen zijn pink verliest, dan zou hij vannacht niet slapen.’

Om duidelijk te maken hoe dat proces van internaliseren werkt, ­gebruikt Adam Smith onze preoccupatie met schoonheid en lelijkheid. De eerste ideeën ontwikkelen we daarover door naar anderen te kijken. Vrij snel beseffen we dat anderen ook zo naar ons kijken. We zijn tevreden als ons uiterlijk anderen bevalt, maar als ze kritiek hebben, proberen we te achterhalen waar die vandaan komt.

“Door voor een spiegel te gaan staan”, zegt Willem Visser, de vertaler van ‘De theorie over morele ­gevoelens’, “proberen we onszelf zoveel mogelijk met de ogen van anderen te bekijken. Zijn we met onszelf tevreden, dan kunnen we kritiek van anderen redelijk accepteren. Verwerpen we onszelf, dan raakt de afkeuring ons des te harder. Zo gaat het ook met onze morele oordelen: eerst beoordelen we ‘onbeschroomd’ het karakter van anderen, dan ontdekken we dat anderen exact hetzelfde bij ons doen.” Link

Scroll to Top