Een Joodse Buddenbrooks

Zo is De Effingers in de loop der jaren door sommigen genoemd. En dat is niet eens zo vreemd, want die onlangs heruitgegeven en in Duitsland voor het eerst bejubelde roman van Gabriele Tergit uit 1951 handelt ook over vier generaties Duitsers, al bestrijkt Thomas Manns met de Nobelprijs bekroonde epos de jaren 1835-1877 – met als hilarisch hoogtepunt de revolutie van 1848 als het Lübeckse canaille niet weet waarvoor het de straat op is gegaan – terwijl De Effingers in 1878 begint en in 1948 eindigt.

Maar hoewel de autofabrikant Paul Effinger, een van Tergits hoofdpersonages, aan koopman Thomas Buddenbrook doet denken, zijn vrijgevochten schoonzuster Sofie op Thomas’ zuster Toni lijkt en zijn schoonvader, de altijd goedgehumeurde bankier Emmanuel Oppner, veel weg heeft van Johann Buddenbrook, gaat die vergelijking toch mank. Al was het maar omdat De Effingers niet over het verval van een Noord-Duitse patriciërsfamilie gaat, zoals De Buddenbrooks, maar over de onverstoorbare levenslust van vier generaties uit drie geassimileerde Joodse families – de kleinburgerlijke sociale stijgers de Effingers en de deftige Berlijnse Goldschmidts en Oppners. Deze levenslust, die zich zelfs niet door de nazi’s laat intimideren, blijkt zowel uit de 152, vaak korte en listig gecomponeerde hoofdstukken, als uit het ritmische, moderne taalgebruik en de filmische montagetechniek waarmee Tergit de jaren aan elkaar rijgt. Link

Scroll to Top