Astrologie, reiken naar het hogere

Voor het eerst werd de wereld van het allerkleinste beschreven, die van de ondeelbare kwants waaruit alles is opgebouwd. En daarin bleken opeens heel andere regels en wetten te gelden. In de kwantummechanica bleek een deeltje zich op twee plekken tegelijk te kunnen bevinden. Kon een gevolg voorafgaan aan zijn oorzaak. Hing het gedrag van een deeltje af van degene die het observeerde. En de allermooiste van allemaal: konden twee deeltjes in een zogenaamde verstrengeling sneller dan het licht informatie uitwisselen, ook al had Einstein in zijn beroemde formule E=mc2 nu juist geformuleerd dat níets sneller gaat dan het licht. ‘Als de quantummechanica klopt, is de wereld krankzinnig’, schreef de natuurkundige Wolfgang Pauli. ‘Als je denkt dat je de kwantummechanica begrijpt, dan heb je het niet begrepen’, zei Richard Feynman.

Natuurlijk geloofde mijn opa in astrologie! Juist omdat hij natuurkundige was, wist hij hoe krankzinnig de wereld werkelijk is. Als het ergens nodig is om ‘een sprong in het diepe’ te maken is het hier wel, waar Schrödingers kat tegelijkertijd dood en levend kan zijn. The best minds of our generationproberen al decennialang het gedrag van de kleinste deeltjes te verenigen met die van sterrenstelsels en alle andere dingen zich wél houden aan de wetten van de logica, en nog steeds is het ze niet gelukt.

Hoe is dit mogelijk? Alles wat we kennen, alles wat we zijn, is opgebouwd uit kwants en sommige van die deeltjes, die ‘praten’ dus met elkaar. Als je één deeltje rechtsom laat draaien gaat op precies hetzelfde moment een verstrengeld deeltje verderop linksom draaien. ‘Spookachtig gedrag op afstand’, noemde Einstein het geërgerd. Hij geloofde er niet in. Want hoe ‘weet’ dat ene deeltje wat er met het andere gebeurt? En als dit voor kleine deeltjes geldt, waarom dan niet voor de grote?

Hoe weten we zo zeker dat niet ook bij ons, in de normale wereld, een gevolg al het voorgaande kan beïnvloeden, tot aan zijn eigen oorzaak aan toe? Of dat ergens iemand rondloopt die mijn verstrengelde tegenpool vormt en dat wat hem of haar overkomt in essentie ook mij gebeurt, of andersom?

Wat als de maan tóch ook aan het water in onze lichamen trekt? >>>

Scroll to Top