Amor fati van Abel Herzberg

“Er zijn geen reine en onreine mensen, wel te
verstaan: in beginsel. Er zijn geen uitverkoren volken.
Maar er zijn mensen, die weten van een scheidslijn
tussen geoorloofd en ongeoorloofd, en mensen, die
dat niet alleen niet weten, maar het niet weten
willen. Tussen hen is geen vrede.”

Midden in het vernietigingskamp Bergen-Belsen ligt een baby onder een schoon lakentje. Een lakentje met een open zoom, schrijft Abel Herzberg. ‘Met een kantje, dat zijn moeder zelf had gehaakt, zo’n gewone vrouw, die te midden van al dat vuil en die stank, te midden van al die zelfzucht, dat kijven en vechten om een lepel soep, de honger, de ziekten en de dood, de gewone instincten niet verloren had van een jonge moeder voor een kind.’ Het kindje floreert onder alle liefdevolle zorg; het heeft een roze gezichtje en speelt met zijn handjes.

De blonde kapo Irmy, belast met toezicht op de gevangenen, raakt erdoor vertederd. Als ze de barak komt inspecteren, zorgen de vrouwen ervoor dat ze het kindje al bij binnenkomst ziet liggen en daardoor vergeet dat ze een oorlogstaak heeft. Ontroerd zegt Irmy: ‘Als jullie allemaal vergast of doodgeschoten worden, red ik deze kleine.’ Herzberg schrijft droog: ‘Dat was bedoeld als troost en oprecht gemeend.’ >>>

Scroll to Top